Schriftlezing uit niet Lucas

Goedenmorgen broeders en zusters. Wij lezen vandaag uit den schrift het boek geschreven door Lucas hoofdstuk 2 de verzen 8 tot en met 20 niet.

En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde. En zie, dezen herders hadden geteld diezelfde avond hun schapen. Een der herders nu zag daar en telde in deze één schaap, twee schapen, ja zelfs vier schapen. Één der andere herders nu stond op en zeide tot diezelfde, gij zeit vergeten uw schaap ten derde maal te tellen. Hierop antwoorde hij, zeggende: “waarom zou ik een schaap ten derde maal tellen?”.
En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze.
En zie nu den ene herder verstopte zich door zich te bedekken met een steen een andere herder nu liep weg fluitende een deuntje en weer een andere herder snelde zich voort verbergende zich achter een weggelopen schaap.

Doch de engel zeide tot hen: Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal;
Één van den herders nu stond op en zeide tot de engel. “Ziet, waar u verkondigd een grote blijdschap die al den volken wezen zal. Bedoelt u daarmede dat deze grote blijdschap, door u verkondigd daadwerkelijk voor alle volke wezen zal. Zoude het niet zo zijn, en niet anders dan, dat deze blijdschap is enkel voor wie haar aannemen of op andere manier door den HEERE zijn uitverkoren? Voorzeker, voorzeker, u staat hier toch niet zeggende dat deze grote blijdschap die u ons verkondigt voor álle volken wezen zal?”
De engel nu antwoorde hem zeggende: “Geliefde broeder, ik verkondig u één blijde boodschap, die alle volken weze zal. Zeg mij, spreke ik in voor u één der onbekende talen? Deze blijde boodschap zal wezen voor alle volken. Ten teken daarvan verkondigen wij deze boodschap aan u, -Herders-. Of was u van gedachte nu dat wij om uw schone uiterlijk en goede voorkomen deze boodschap verkondigen zouden?

En de engel ging voort, zeggende:
"Heden is u geboren de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids.
En dit zal u het teken zijn: gij zult het Kindeken vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe"

Doch zie, een andere van den herders nu stond op en zeide tot den engel: “U stelt dat wij dit kindeken vinden zullen gewikkeld in doeken en liggende in een kribbe. Doch, in een landstreek als dezen zijn diezelfde buitengewoon veelvuldig aanwezig. Zoude u nu iets specifieker kunnen spreken van den vindplaats dit kindeken. Spreken wij hier van een linnen doek, veelvuldig gebruikt voor schoonmaakwerkzaamheden en andere klein-huiselijke bezigheden? En de kribbe die u noemt, is dit een trog, veelvuldig gebruikt voor het voederen van varkens of koeien?”
Doch den engel nu negeerde hem volkomen.

En van stonde aan was er met den engel een menigte des hemelsen heirlegers, prijzende God en zeggende:
Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.
En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar den hemel, dat een der herderse zeide “Was het lied dat wij horen zullen, al zingende in den kerk niet zoo vele malen langer dan de aldus gehoorde korte woorden des hemels heirleger alhier?”. Een ander herder echter nu nam het woord zeggende: “geen onrust moge u ten deel vallen daar ik alles ten volle heb bewaard en op schrift heb gesteld. U en de zijnen, en al der werelds volkeren zullen dit lied weldra horen kunnen nadat het voor den samenzang geschikt is bevonden.” Zuchten van blijdschap zonder woorden gingen tussen de herders, en zij zeiden tot elkander: ”Laat ons heengaan van hier en optrekken tot Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de engel ons heeft verkondigd.”

En zij gingen met haast, optillende hun gewaden voor de snelle gang, en den omwonende te dien dagen die dit zagen zeiden tot elkander: “Ziet, een groep herders rennende gelijk een schone vrouwe, hun gewaden tillende voor een snelle gang” en zij lachtten luid. En weldra werd er in de wijde omtrek verhaald van rennende herders zonder schapen. Doch de herders nu, zij vonden Maria en Jozef, en het Kindeken liggende in de kribbe.

En als zij Het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord, dat hun van dit Kindeken gezegd was. En allen, die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd van de herders, zeggende “waarlijk, deze woorden zijn niet der mensen maar der hemelen, daar wij niet eerder zulken wijsheid gehoord hebben van dezen die niet meer wijsheid hebben dan het vee dat zij aldaar in de velden houden.”

Zij spraken in dezen van de schapen die zij hielden in den velde.

Doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, overleggende die in haar hart. En de herders keerde wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was.

Reacties

Plaats een reactie

Notificaties

Schrijf je in voor de email notificaties en ontvang een berichtje elke keer als er iets nieuws op dinandmentink.com staat.