In de Biergarten met Victor Lucius

Gisteren zat ik met Joram, één van mijn beste vrienden, in de Rotterdamse Biergarten. We spraken over games, boeken, vrouwen en politiek. Hoe dat gaat. Tot dusver niets noemenswaardigs. Totdat we hem zagen lopen.

Voor wie de Biergarten niet kent. Op een pleintje tussen een stapel hoge kantoren en afgetrapte 5-hoog-woningcomplexen ligt een lelijke kale parkeerplaats. Het soort parkeerplaats waar niemand 2 keer naar kijkt en waar ook niets te beleven valt.

Op die parkeerplaats is een soort van zomer-barretjes-terras aangelegd. Het soort van zomer-barretjes-terras waar alleen jonge hoogopgeleide blanke mensen zit, ondanks dat het midden in een allochtonenwijk ligt. Met een stapel containers en pellets zijn er wat standjes opgezet en tafeltjes neergeknalt. Het is goed toeven om daar in de zomer een biertje te drinken. Ik heb helemaal niets met wonen in de randstad, maar de Biergarten is het soort van urbanisme waar ik dan toch wel van kan genieten.

Het is allemaal zo heerlijk low-effort, low-key en low-tech. Het straalt uit "joh, we hebben hier gewoon maar wat pallets en bier neergegooid, that's it". Je weet gewoon dat een duur marketing bureau daar weken mee bezig is geweest.

Anyway. Vanuit één van de hogere zitplaatsen hadden we goed overzicht over de menigte, dus we zagen hem goed binnen komen lopen. Stel je het voor

Lange zwarte leren regenjas (het was 25 graden) met daaronder een zwarte spijkbroek. De regenjas hing een beetje open, waardoor het net mogelijk was om een wit shirt te zien. Boven zijn regenjas droeg hij een zonnebril.

Hij liep naar één van de barretjes toe en zette zijn zonnebril af.
"Één bier", zei hij met een rauwe, gebroken stem.
"Leuk dat je er weer bent vanavond", antwoorde de dame achter de bar.
Zijn reactie was totale stilte.

Toen hij iets dichterbij kwam viel zijn grote zilveren armband pas op. En ook de lange, puntige lakschoenen die onder zijn leren jas vandaan staken.

Dit was het punt waarop Joram en ik elkaar aankeken en besloten dat zijn naam Victor was. Victor Lucius. Niemand kent hem, maar hij is het die onder de krochten van de stad de monsters opzoekt en bevecht. Een ondankbare taak, maar één die moet gebeuren. Iemand moet zich hiervoor geven, zodat de rest gezegend onwetend kan genieten van het leven boven de grond.

Ik stel me zo voor. Victor. In het donker, leunend tegen een kapotte lantarenpaal, uitkijkend over de nu verlaten biergarten. Je hoort hem spreken, met een rauwe, gebroken stem.

Soms vraag ik me af wat ik hier doe. Bier drinken tussen al deze mensen. Onwetend over welke strijd er gaande is onder hun voeten. Maar het is goed om hier te zijn. De jeugdigheid, dit idiote gefeest, is uiteindelijk waarom ik doe wat ik doe.
Als je zo lang tegen monsters vecht als ik dat gedaan heb dan is het goed om soms mensen te zien. Geluk, vreugde, dom gelach. Het houdt me menselijk.
Dat is iets goeds. Want als je genoeg in het duister staart. Dan staart het duister ook terug.

In de verte zien we een schim wegduiken een steeg in. Lucius zet zijn bier weg en begint te lopen.

Ik ben Victor Lucius. En dit. Dit is mijn stad.

(muziek)

Reacties

Plaats een reactie

Dirk

  • Jun 18, 2018 10:07:32

Je zou eens 'Welcome to the Nightside' moeten lezen van Simon R. Green.

Email lijst

Schrijf je in voor de email lijst en ontvang een berichtje elke keer als er iets nieuws op dinandmentink.com staat.